Airborne Museum Hartenstein Menu

Alice Muusse

Herinnering

Ik kom terug  »  

Alice Muusse

Naam: Alice Muusse 
Geboren: 2 maar  1937
Woonplaats: Arnhem
Evacueert met: vader Frederik Christoffel Muusse, moeder Margje Veldhoen, zussen Frederiek en Jacqueline, broertje Roel
Route: Velp, Veenendaal, Baarn, Lutten (aan de Dedemsvaart)

‘We moesten de schuilkelder in. Het was echt de allerlaatste keer, zei moeder’

Op 17 september 1944 zat Alice Muusse (1937) in de schuilkelder in de tuin. “Die was afgedekt met strobalen, bloemen erop. Vliegtuigen zagen dan een mooie tuin die ze niet zouden bombarderen.” Toen het rustig was gingen ze naar huis. “Maar de hel brak los. Mijn opa stond in de keuken, omringd door glas.”

Alice hoorde later dat er een meisje was omgekomen bij het bombardement op de Velperweg, niet ver van hun huis. “Op haar twaalfde verjaardag nog wel. ‘Die is wel heel oud geworden’, dacht ik toen.” Bij een ander bombardement stonden ze in de hal, haar moeder had zich over de kinderwagen gebogen. “Mijn vader bad het Onze Vader, mijn moeder zei: ‘Als we doodgaan, dan met z’n allen.’ ‘Ik liever niet’, dacht ik.”

Voordat ze evacueerden, verstopte haar vader waardevolle spullen in de zijkamer en in het huis van haar tante Jaantje Muusse en oom Barend Wind. Die woonde naast hen op nummer 10. “Onder andere het bestek en de fotoalbums. Bij het opgraven na de oorlog bleken ze ernstig aangetast door vocht.” De hamer en nijptang had hij bovenop de keukenkast gelegd. “Die vonden we daar weer toen we terugkwamen.”

‘Dag huis!’
Haar vader had bij vertrek voor zes weken kleding op zijn fiets gestouwd. “Mijn moeder niets, zij had net een zware bevalling gehad.” Alice en haar oudere zus Frederiek duwden de kinderwagen met de babyspullen en daarbovenop haar broertje Roel. “We riepen ‘Dag huis!’ en gingen naar Velp. Naar familie van oma.”

Na een week trokken ze verder, Frederiek duwde de kinderwagen. Alice wilde óók wel eens alleen duwen. “Maar mijn tante die mee was zei: ‘Je zult nog smeken dat niet te hoeven doen’. We waren op weg naar Veenendaal. Mijn tante zei dat we naar het bos gingen en een hut zouden maken.”

Tussen duizenden vluchtelingen liepen ze over de Amsterdamseweg. “Door en door en door ging het. Toen waren Frederiek en ik opeens mijn ouders en zusje Jacqueline van vier kwijt. Paniek. Bleek dat mijn moeder niet goed was geworden. Ze waren achterop geraakt. Voorbijkomende familieleden spoorden ons aan verder te lopen, maar we bleven wachten. Gelukkig kwamen ze er even later aan.”

Door Ede trokken ze naar Veenendaal. Hier kregen ze onderdak bij een vriendin van haar moeder. “Daar zijn de vluchtelingen, zei tante Tonnie. Ik keek om: waar dan?”

Alice Muusse

‘Daar zijn de vluchtelingen, zei tante Tonnie. Ik keek om: waar dan?’

‘Ik houd niet van zieke kinderen’
De volgende plaats was Baarn, waar een oom van mijn moeder, Hendrik Kuiper, een bakkerij had. In Baarn werden ze op drie adressen gehuisvest. “Mijn ouders en de baby samen, mijn zusje Jacqueline bij familie en mijn oudste zus Frederiek en ik bij een onvriendelijk gastgezin. Ik was daar niet gelukkig. Toen mijn zus ziek werd, zei die vrouw: ‘Ik houd niet van zieke kinderen.’ Ze werd naar het adres van mijn moeder gestuurd. En toen ik ziek werd, ik ook. Die mensen zeiden ook tegen ons: ‘Jullie zijn maar evacués.’ Ze zaten niet op inwoning te wachten.”

Alice griezelt: ze moesten haar altijd een kus geven, op haar bepoederde gezicht. “Ik zong altijd tijdens beschietingen, dat mocht niet, dan moest ik mijn mond houden.”

Op de eerste schooldag werd ze door buurjongen Max gebracht, zonder haar zus. “Hij mocht na de pauze naar huis. Maar wij meisjes moesten blijven voor het handwerken. Toen dacht ik: ‘Nu ben ik mijn ouders voor altijd kwijt’. Ik versteende van angst. Maar hij stond na afloop op me te wachten.”

Gulle boerin
In januari verkasten ze naar Lutten aan de Dedemsvaart, in Overijssel. “We werden vervoerd in een vrachtwagen met een bult op het dak. Daarin werd hout verbrand voor de aandrijving. Voor de koeling stond er een ton water op het dak, dat klotste over ons heen. Koud!”

In Overijssel had Alice het stukken beter. De boerin was gul. Ze deelde voedsel met mensen uit het westen op hongertocht, en liet hen in de hooiberg slapen. De kinderen speelden op de boerderij en genoten van het boerenleven. Toen Alice zag hoe de koeien werden gemolken, danste ze van enthousiasme. “Ik sprong in de grup, de mestgoot, maar een pantoffel bleef achter. Later vonden we die terug na het uitrijden van de mest.”

Haar vader Frederik zat elders ondergedoken. Toen hij een keer bij hen kwam slapen, was er net een razzia. “Toen de Duitsers zagen dat hij in december 42 jaar was geworden, hebben ze hem niet meegenomen. Hij kwam hij niet meer in aanmerking voor tewerkstelling. Wel werd hij geslagen. Daarna hield het briefje Rotfieber toen mijn zusje roodvonk had, de bezetters nog lang op afstand.”

Vlak voor de bevrijding moesten ze weer de kelder in. De Canadezen waren in aantocht en de brug naast de boerderij zou worden opgeblazen. “Ik zei toen dat ik dat niet meer wilde. Maar mijn moeder zei: het is echt de allerlaatste keer.” De bevrijders deelden eten uit, onder andere een blikje sardientjes. “Daar hebben we met z’n dertienen van gesmuld.”

‘Niet weer evacueren’
Juni 1945 keerden ze terug. “Het was een troep in onze woning. Mensen hadden op de vloer gekookt, er groeiden paddenstoelen op. Maar het orgel stond er nog.” Toen haar vader jaren later eens vroeg: ‘Wat vinden jullie ervan als we weer eens verhuizen? antwoordde ze ‘Nee, niet weer evacueren’. Alice noemt het bijzonder dat ze het er met z’n allen levend vanaf hebben gebracht. “We hebben veel lieve mensen ontmoet. Alleen ik had pech, toen in Baarn.”

Het gezin Muusse. Privéfoto

Ik kom terug

Bekijk alle
evacuatie verhalen

Bekijk verhalen