Airborne Museum Hartenstein Menu

Miep Siebels

Herinnering

Ik kom terug  »  

Miep Siebels

Naam: Maria Aleida Theresia (Miep) Siebels
Geboren: 26 maart 1932
Woonplaats: Arnhem
Evacueert met: vader Hendrikus Hermanus Siebels, moeder Wilhelmina Hendrika Arnolda Gielingh, jongere broer Henk, jongere zus Wil
Route: woning Eerbeek, boerderij Eerbeek

‘We moesten ‘oprotten’ omdat ik mijn moeder had verraden’

“Het was mijn schuld dat we op ons eerste evacuatieadres weg moesten,” vertelt Mieke Anthonijsz-Siebels (1932). “Ik heb het verpest, door iets wat ik zei. Onbedoeld heb ik iets verraden. Daardoor moesten we oprotten. Mijn moeder was niet kwaad: ik was immers nog maar een kind.”

Na vertrek uit Arnhem had het gezin Siebels onderdak gevonden aan de Coldenhovenseweg in Eerbeek, na een tocht door de Imbosch. Miekes vader liep tijdens de tocht met een witte vlag voorop. Mieke: ”We zaten in een heel groot huis: mijn ouders hadden een eigen slaapkamer, net als de twee grote kinderen. Mijn zusje van drie lag opgevouwen in een ledikant. We werden hartelijk ontvangen door een zakenrelatie van mijn vader: Smith, van de gelijknamige papierfabriek.” Maar na een opmerking van Mieke over een sneetje roggebrood werd de sfeer een stuk minder gezellig.

Vanuit het huis van het gastgezin ging Miekes moeder op zoek naar eten. Mieke: “Ze vond dat het eten te weinig was voor opgroeiende kinderen. Ze kwam dan thuis met roggebrood. ‘s Avonds kregen wij stiekem op onze slaapkamer een sneetje, met lekker dik boter erop. Het brood verstopte ze onder het bed op een van onze kamers, in een koffer.” Mieke ging op een gegeven moment naar de keuken en dacht dat haar moeder daar stond af te wassen. “Ik legde haar de hand op de rug en vroeg: krijgen we vanavond weer zo’n lekker roggebroodje? Het was echter niet mijn moeder die ik aansprak, maar de gastvrouw. En die werd erg boos.”

‘Oprotten’
Na Miekes verspreking moesten ze vertrekken. Ze gingen door naar boer Hendrik

Doom, ook in Eerbeek, aan de Ringlaan 537. Boer Doom woonde in een groot pand en op de bovenverdieping woonden andere evacués: een moeder met een zoon en nog een moeder en dochter. De evacués hadden onderling weinig contact: iedereen zorgde voor zichzelf.

Miekes moeder haalde soms melk bij de boeren. “Dat deed ze in een fles en dan maar schudden: dan scheidde de karnemelk zich af en werd de room een klont boter. Zo karnde ze.” Het gezin had redelijk wat geld, want haar vader verdiende door tijdens de oorlog. “De directeur van de drukinkt en verffabriek Arnhemia [Adam Strenger, red.] zat tijdens de evacuatie in Loenen. Mijn vader die daar procuratiehouder was ging geregeld naar hem om samen te proberen de zaak overeind te houden.”

‘Alles zat in elkaar gedrukt. Ik zie het stof en de vlammen nog voor me.”

Het gezin van Mieke in de tuin van hun huis aan de Bakenbergseweg in Arnhem. Privéfoto

Het gezin bracht de rest van de oorlog door op de boerderij. “In het begin zaten we overdag in het bakhuis, de nacht brachten we in een kamer op de boerderij door. Later zijn we naar beneden verhuisd, toen hadden we een woonkamer en een slaapkamer. Het toilet was achteraf, bij de mestgoot in de stal.”

Op de boerderij zaten ook Duitsers, met koeien en paarden. “Andere Duitsers wilden mijn vader oppakken, hij moest loopgraven graven voor de Todt [Organisation Todt, red.]. Hij is niet opgepakt omdat de ingekwartierde Duitsers zeiden dat hij nodig was voor de boerderij.”

V-1 Eerbeek
Mieke kan zich nog herinneren dat op 23 februari 1945 ’s ochtends een V-1 neerstortte op het centrum van Eerbeek. Daarbij werden een school en drie huizen met evacués geraakt. Elf mensen kwamen om het leven en 30 mensen raakten gewond. “Ik ben wezen kijken, alles zat in elkaar gedrukt. Ik zie het stof en de vlammen nog voor me.” De hele oorlog is ze bang geweest. “Ik kroop bij mijn vader en moeder in bed.”

Haar vader Hendrikus ging na de bevrijding vooruit om het huis aan de Bakenbergseweg bewoonbaar te maken. Hij werd medisch gekeurd bij Sacré Coeur aan de Velperweg en kreeg een vergunning. Toen Mieke later in Arnhem kwam zag ze dat haar huis kapot was. De gevels waren stuk, de ramen lager eruit. Het was een bordeel geweest: de sexy kleding lag er nog. “Mijn eigen kamer was nog heel, maar mijn sieraden waren weg.” De hutkoffer met tafelzilver en linnengoed die haar vader in de tuin had begraven, vonden ze nog terug.

 

Baileybrug
In de buurt werden nog explosieven gevonden en daarom werden de kinderen weggestuurd. “Wij gingen daarom naar familie in Eindhoven. Mijn moeder liftte daarnaartoe met drie kinderen. Mijn zus Wil ging naar mijn opa [Bernardus Siebels, red.], mijn broer Henk naar een oom en ik naar een oom en tante. In november keerden we terug. Wij kinderen werden aan de zuidkant bij de baileybrug [noodbrug, red.] over de Rijn afgezet. Mijn broer stapte met twee zware koffers erop, alles begon te wiebelen. Aan de overkant kwamen we toevallig mijn vader tegen op de fiets.” Pas een jaar later kon Mieke weer naar school. “Mijn ouders waren in die tijd vooral druk met de woning en met de fabriek die had stilgelegen. Voor ons was weinig aandacht. Over de evacuatie werd niet meer gesproken.”

Baileybrug over de Rijn, 1945. Gelders Archief: 1534 - 534

Ik kom terug

Bekijk alle
evacuatie verhalen

Bekijk verhalen