Herinnering
Naam: Maria (Riet) Evers-Brinkhoff
Geboren: 25 april 1937
Woonplaats: Arnhem
Evacueert met: moeder Catharina Antonia Hendrika Meijers, zeven broers en zussen en twee tantes Agnes Maria Elisabeth Meijers en Johanna Aletta Isabella Meijers
Route: Velp, klooster paters Mill Hill Oosterbeek, Hudighuis Driebergen, villa Kraaybeek Driebergen
‘We sliepen met tientallen mensen op het stro. Iedereen door elkaar: mannen, vrouwen, kinderen’
Terugkijken? Dat ligt niet zo in haar aard. “Ik ben ook niet zo goed met foto’s bewaren,” zegt Riet Evers-Brinkhoff (1937). Wel bezocht ze met haar jongere broer hun evacuatieadressen, omdat hij dat graag wilde. “Vooral ons verblijf in Driebergen, waar hij geboren is en gedoopt, vond hij een belangrijk onderdeel van zijn geschiedenis.”
Riet is het derde kind van de familie Brinkhoff. “We hadden een groot gezin: acht kinderen. Mijn vader was slager en we woonden boven de zaak aan de Spijkerlaan.” Daar zag ze op 17 september 1944 de vliegtuigen aankomen en de parachutisten in de lucht hangen. “Ik hoorde het luchtalarm en daarna gezoem. Mijn moeder zei: ‘nu is de oorlog zo voorbij.’”
Na het evacuatiebevel van 23 september dachten ze dat het niet zo’n vaart zou lopen. Maar de Duitsers gingen de maandag daarna, op 25 september, met luidsprekers door de straten. “Ze riepen ‘Raus!’ We hadden niet veel tijd om te pakken. Mijn moeder zei: ‘Allemaal een jas aan.’ Terwijl het mooi weer was! We vertrokken met de kinderwagen met daarin de jongste. Daarover heen lag een plankje waar andere kinderen op zaten.”


Vader opgepakt
Het gezelschap bestond uit Riet, haar moeder Catharina, haar zeven broers en zussen en twee ongetrouwde zussen van haar moeder, Agnes en Johanna. “Mijn vader was drie weken eerder opgepakt door de Duitsers. Hij werd ervan verdacht dat hij vlees aan onderduikers had gegeven. Ze sleurden hem met drie man de zaak uit, terwijl ik toevallig in de slagerij was. Hij had eerst in het Huis van Bewaring gezeten en was daarna tewerkgesteld op vliegveld Deelen. Daar werkte hij als slager.”
Ze liepen over de Velperweg, te midden van een grote stoet. Vliegtuigen vlogen over hen heen, de vluchtelingen werden gebombardeerd. “Mensen gilden en huilden. Ze zaten gebukt op straat. Wij schuilden achter een muurtje bij La Bordelaise, een café-restaurant vlak bij het viaduct Velperpoort.”
‘Ik bliefde de pap niet, maar mijn moeder kneep mijn neus dicht zodat ik wel moést eten’
Klooster
De eerste nacht brachten ze door in een school aan de spoorlijn in Velp. “Onze kleren hielden we aan. We sliepen daar met tientallen mensen op het stro. Iedereen door elkaar: mannen, vrouwen, kinderen. Waar mijn vader zat, wisten we niet.”
Na een paar dagen kwam er een platte kar, die hen naar de paters van Mill Hill in Oosterbeek bracht. “Een klooster. Ik herinner me lange gangen, Christusbeelden.”
Vandaaruit gingen ze verder naar Driebergen. Ze kregen onderdak in het Hudighuis, een vakantiekolonie voor arme, ondervoede of zieke kinderen uit Rotterdam. “Het was een groot huis met een serre en een eetzaal. We zaten er met zo’n tachtig tot honderd man. Er stonden houten banken en als je de klep omhoog deed, zag je speelgoed liggen. We hadden boven eigen kamers.” Het was er stervenskoud, herinnert Riet zich. Toch heeft ze er fijn gespeeld: “Ik kwam uit de binnenstad. Hier waren bomen, in het bos vlakbij kon je eikels rapen.” Toen heeft ze haar vader wel erg gemist: “Ik was zijn lievelingetje. Ik was ook nog eens op dezelfde dag als hij jarig.”


‘Papa komt eraan!’
De dag voor Kerst speelde Riet buiten en zag ze dat er een man aan kwam fietsen. “Hij had een lange jas aan, gleufhoed op. Hij was op een fiets zonder banden, had een rieten koffertje. Ik schrok, rende naar mijn moeder: ‘Papa komt eraan!’ Maar ze zei: ‘Zeg dat nooit meer!’ Maar het was hem toch echt!”
Vanaf dat moment ging Riets vader Antonius op pad om eten voor zijn gezin te regelen. “We waren allemaal heel mager. Vooral mijn vader was erg verzwakt. We kregen ’s ochtends één snee brood, net als ’s middags. En ’s avonds was er pap. Die bliefde ik niet, maar mijn moeder kneep mijn neus dicht zodat ik wel moést eten.”
Oranje strikken
Vanuit de vakantiekolonie verhuisden ze naar de boerenhofstede op landgoed Kraaybeek in Driebergen. “Mijn broertje André is daar geboren op 9 mei 1945. Hij was in Driebergen het eerstgeboren evacuékind na de bevrijding. Vanwege die feestelijke gelegenheid werden wij allemaal met twee rijtuigen opgehaald voor de doop. De meisjes hadden oranje strikken in het haar.”
Het gezin Brinkhoff kon pas laat terugkeren naar Arnhem. “Het huis was onbewoonbaar, de helft van het dak was weg. De winkel was leeggeroofd. Ook het woonhuis was geplunderd: de meubels weg, de Perzische tapijten weg. We kregen per kind een bon voor een stoel.” Terugkijken op de evacuatie deed het gezin niet. “Mijn ouders waren bezig met de wederopbouw. Ze moesten de slagerij van voren af aan opzetten,” vertelt Riet.